07.

Al die nachten die volgden
op zijn besluit te wachten
op de komst van Iets Hogerhandigs
of desnoods de Hogerhand Zelf
sliep de Veelpoot
in de kajuit.

Hij vergat zijn dromen,
gepreoccupeerd en georenspitst
als hij was, was zijn geest
hem bekender dan ooit geworden.
Alles was geordend, structuur was
overal, tot het beangstigende aan toe.
(Behalve in het grote ruim, maar dat
spreekt voor zich en zal ooit weer tot
de Veelpoot spreken, maar nu nog niet.)

De patrijspoort werd bekrast, er werd
geroffeld, getrommeld op het glas.
Duidelijk merkbaar diende hij zich aan, maar
de Veelpoot wist dat het nog niet
Iets Hogerhandigs was.

De veren van de Watervogel
weerden al het nat, wisten hun drager
te beschermen tegen de tastbare
wereld. Daarom lachte de Watervogel,
want bekommering was hem vreemd.
De Veelpoot begroette de gast,
de gast groette terug, in zijn klauw
een dode vis. Vogel en Poot
in diep gesprek, doorspekt met koetjes,
kalfjes en zaken als het weer.
En de Watervogel lachte.
En de dode vis zweeg verstandig.

Geen opmerkingen: