“Hij houdt het nooit vol.”
“Nee, dat redt hij niet.”
En een andere stem:
“Het lukt hem voor even,
maar na een paar meter
draait hij weer om.”
De Veelpoot had een schip gekocht,
een groot schip met masten,
kajuit, anker en boegbeeld,
zeilen van canvas.
Gekocht van een man die hem vertelde
dat het van een man was geweest
die ooit ver had gevaren
minstens tweeënhalf jaar
aan een stuk.
“Hij was nogal een eenzaat”,
had de verkoper hem verteld.
“Niemand kende hem echt,
dat werd hem zijn einde,
al was het zijn inspiratie.
Hij voer alleen, werd soms bezocht,
maar deed het zonder reden.
Een doel had hij niet,
dat werd hem zijn einde.”
De Veelpoot vroeg niet door.
Het interesseerde hem niet veel,
het was nu immers zijn boot.
“Hij noemde het schip Titanium,
die man van wie het ooit was geweest,
die ooit aan een stuk
ver had gevaren.
Een zware last, dat kan ik u vertellen,
want anders dan de naam u doet vermoeden
– titanium is het zwaarste niet –
tilde de man zichzelf kapot aan zijn reis.”
De Veelpoot luisterde aandachtig,
uit beleefdheid.
“Maar laat ik u niet angst aanjagen,
het schip is nog intact
– titanium roest immers niet –
en de zeilen zijn onbeschadigd.”
“Hoogstens een paar meter
of een paar dagen,
niet meer dan dat,
en dan keert hij om.”
“Ja, hij redt het niet.”
“Hij houdt het nooit vol.”
Geen opmerkingen:
Een reactie posten