08.

De Veelpoot keek uit
over het water
vanuit de kajuit
waarin hij sliep.

Verreweg
het beste
van wat hij op dit moment
om zich heen verzameld had
was zijn (voor)uitzicht.

De kajuit beklemde
hem en bracht
hem tot inzichten die
hij liever niet
gehad zou hebben
bovendien.

Bedompt
als het was, weerhield
het hout alle geluid van binnenkomst
al was zij meer dan welkom,
want hij miste het
gesprankel.

Zijn (voor)uitzicht had
gesprankel en weerkaatste
in zijn ogen
op manieren die enkel
bestemd voor dromen
waren geweest.

Een zonlicht-
schittering,
een scherpe lijn,
aan de horizon
niets dan wit.

Met al zijn vele poten
(honderd, duizend, miljoen?)
roffelde de Veelpoot
op het glas
van de patrijspoort.

Kaarten had hij bekeken,
reisverhalen gelezen,
handelsreizigers
bij de markt begroet,
maar zijn eigen verlangen
tot voor kort
zelden beroerd.

1 reacties:

Gijsje zei

zucht, het is prachtig!